De gekozen leerlijn is dus woordenschat.
Doelen op deze leerlijn:
- Kinderen breiden de bestaande woordenschat uit met nieuwe woordenschat.
- Kinderen herhalen de nieuw geleerde woorden.
- Kinderen herhalen reeds bekende woordenschat.
- Kinderen leren strategieën om zelf de betekenis van nieuwe/onbekende woorden te ontdekken
- Kinderen leren verschillende soorten betekenisverbindingen die het onthouden van woorden bevorderen.
- Kinderen kunnen nieuwe betekenissen toevoegen aan reeds bekende woorden (verdieping).
- Kinderen reflecteren over woorden.
Toetsen:
De methode taaljournaal waar deze school mee werkt heeft een speciaal toetsboekje voor alle leerlingen waar zij de toetsen van taal in maken. De toetsen worden na elk blok of na elke twee blokken afgenomen. Bovendien worden de citotoetsen van taal ook afgenomen in deze klas.
Observatie:
Ik heb gekeken in de toetsboeken van de kinderen van de blokken die ze al hebben gemaakt. In de toets zijn onder andere opdrachten waarbij de kinderen het juiste woord aan het kloppende plaatje moeten koppelen en verder zijn er vijf zinnen waarbij de woorden worden gebruikt en de kinderen moeten beantwoorden of deze zin klopt of niet. Bovendien heb ik naar de toetsresultaten van de cito van vorig jaar gekeken.
1. Benedengemiddeld is leerling A. Bij de cito van vorig jaar heeft ze het laagste niveau gehaald, een E. Haar woordenschat was toen en is nu nog steeds niet wat het moet zijn. Bij de toets die ik heb bekeken had ze bovendien meer dan 3 fouten in een opdracht van 10 zinnen.
2. Gemiddeld is leerling R. Haar citotoets had een gemiddelde score van een C. Bij de toets die ik heb bekeken had R. tussen de 1 à 2 fouten in de tien zinnen.
3. Bovengemiddeld is leerling E. Haar citotoets had een gemiddelde score van een A, wat het hoogst haalbare is bij een citotoets. Bij de toets had E. deze twee opdrachten foutloos gemaakt.
Pedagogische behoefte:
Al deze leerlingen hebben behoefte aan een veilig klimaat in de klas. Ze moeten elkaar in hun waarde laten. Bovendien moet ik voornamelijk A. er op wijzen dat fouten maken mag. Hier is zij namelijk onzeker over of dat wel mag en klapt dan dicht.
Onderwijsbehoefte:
1. Deze leerling heeft activiteiten nodig waarbij de woordenschatontwikkeling wordt geoefend door middel van extra oefeningen. Hierbij gebruik ik de woorden waar ze op dat moment mee bezig zijn. Dit zijn woorden die te maken hebben met het thema feest. Woorden als lampion, pasen etc.
2. Deze leerling heeft activiteiten nodig die haar helpen met het verbreden van dit thema woorden. Ik ga activiteiten met haar doen waarbij ik dezelfde woorden gebruik, maar waarbij ik bovendien meer woorden met haar ga bedenken die ook zouden kunnen passen bij het thema feest. Ik help haar in de zone van de naaste ontwikkeling. Dus naast lampion en pasen ook kerstboom, Sint-Maarten.
3. Deze leerling heeft activiteiten nodig die haar helpen om meer met dit thema woorden te doen dan ze alleen in de opdrachten te gebruiken. Bij dezelfde woorden als lampion en pasen gaat deze leerling meer woorden verzinnen als kerstboom en Sint-Maarten. Ze gaat bovendien woorden bedenken die wat met deze woorden te maken hebben. Hierbij kun je bij kerstboom bijvoorbeeld denken aan gourmetten en dergelijke. Zo wordt zij meer uitgedaagd.
Groepsplan
WIE?
1. leerling A.
2. leerling R.
3. leerling E.
WAT?
1. A. gaat oefenen met opdrachten die haar woordenschat verbeteren. Ik ga samen met haar oefeningen maken waarbij ze woorden waar ze nu mee bezig zijn, die in het thema feest passen in de juiste zin moet invullen. Dit zijn woorden als lampion, en serpentine. We bespreken de woorden van tevoren nog eens extra en ik laat A. de betekenissen van de woorden vertellen. Hierna vult ze de woorden in de juiste zin in.
2. R. gaat oefenen met opdrachten waarbij ze woorden waar ze mee bezig zijn met het thema feest leert en daarbij andere woorden bedenkt met hetzelfde thema. Ze is dit thema woorden dus aan het verbreden. Naast lampion en Sint-Maarten ga ik R. stimuleren om nog meer van dit soort woorden te bedenken, dus bijvoorbeeld woorden als kerstboom. Ze leert hierdoor in de zone van de naaste ontwikkeling.
3. E. gaat oefeningen maken waarbij zij wordt uitgedaagd om meer te doen met de woorden dan ze alleen in de opdrachten gebruiken. Zij gaat dezelfde woorden met het thema feest leren en gaat daarbij ook andere, moeilijkere woorden bedenken. Bovendien gaat zij deze woorden koppelen met elkaar. Ze maakt er dus een mindmap mee. Wat zou E. bijvoorbeeld nog meer bedenken bij het woord kerstboom?
HOE?
(1,2 &3) De kinderen gaan individueel aan de slag, wel samen met mij. We doen dit buiten de klas.
Met A ga ik voornamelijk praten over de woorden, waarna zij ze invult in de juiste zin.
Met R. ga ik ook kijken naar de woorden die al eens eerder zijn langsgeweest en bij deze woorden gaat R. ook nog andere woorden bedenken met hetzelfde thema.
Met E. ga ik een mindmap maken rond het thema feest, waarbij de woorden die iedereen moet leren aan bod komen, waar andere woorden bij komen die met het thema feest te maken hebben en wat E. met deze woorden associeert.
We kunnen hier 1 dag per week mee oefenen en dan ongeveer 20 tot 25 minuten per keer. Dit zal in een periode van twee weken zijn. Ik evalueer hoe het is gegaan door met A te kijken of de zinnen kloppen en of A de woorden na 2 keer in haar hoofd heeft. Met R. evalueer ik door te kijken naar de woorden die ze heeft bedacht en of deze passen bij het thema. Met E. evalueer ik door met haar in gesprek te gaan over de mindmap die ze heeft gemaakt en waarom ze juist die woorden heeft gekozen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten